31 december 2024

Smartengeld na hondenbeet

Aansprakelijkheid van de hondbezitter bij bijtincident

Op 5 augustus 2006 werd de vierjarige [persoon 1], de zoon van [eiseres], op de galerij van hun flat in [woonplaats] in het gezicht en de arm gebeten door de pitbull terriër van [gedaagde]. Het gezicht van [persoon 1] zat enige tijd vast in de bek van de hond, en pas na hulpgeroep van [eiseres] kon de hond van het kind worden verwijderd. [persoon 1] liep ernstige bijtwonden op en werd twee dagen in het ziekenhuis opgenomen voor behandeling, inclusief een operatie door een plastisch chirurg. Desondanks bleven er littekens achter in zijn gezicht, die hem langdurig zouden blijven beïnvloeden.

Smartengeld na hondenbeet

Vordering en verweer

[eiseres] vorderde een schadevergoeding van EUR 10.465,50, inclusief immateriële schade, medische kosten en reiskosten. [gedaagde] betwistte echter het volledige gevorderde bedrag, in het bijzonder de hoogte van de immateriële schade, die volgens hem te hoog was in vergelijking met vergelijkbare gevallen. Daarnaast voerde hij aan dat [eiseres] mogelijk het openbaar vervoer had kunnen gebruiken voor de ziekenhuisbezoeken, in plaats van de gevorderde taxikosten van EUR 150,00.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank oordeelde dat [gedaagde] aansprakelijk was voor de schade, aangezien hij als eigenaar van de hond verantwoordelijk werd gehouden op basis van artikel 6:179 van het Burgerlijk Wetboek. De rechtbank achtte de gevorderde reiskosten van EUR 150,00 terecht, aangezien [eiseres] door de beet zelf beenletsel had opgelopen en niet verplicht was openbaar vervoer te gebruiken. Wat betreft de immateriële schade, besloot de rechtbank een bedrag van EUR 7.000,00 toe te kennen, rekening houdend met de ernstige gevolgen voor [persoon 1], waaronder blijvende littekens en de traumatische ervaring.

Resultaat en proceskosten

De rechtbank wees de vordering van [eiseres] gedeeltelijk toe en stelde de schadevergoeding vast op EUR 7.300,00, bestaande uit immateriële schade en bijkomende kosten. [gedaagde] werd tevens veroordeeld tot het betalen van de proceskosten van EUR 1.176,93, evenals nakosten van EUR 131,00. De wettelijke rente werd toegewezen vanaf de datum van het incident, 5 augustus 2006. De overige gevorderde bedragen werden afgewezen, zoals de eigen bijdrage voor de Raad voor Rechtsbijstand. Het vonnis werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Lees hier de volledige zaak!