31 december 2024

Aanrijding fiets en voetganger

Het geding in hoger beroep

[Appellant] is in hoger beroep gekomen van het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 1 juni 2022, waarin hij werd veroordeeld tot vergoeding van schade na een verkeersongeval met [geïntimeerde] op 26 maart 2021. [Appellant] stelde grieven in tegen het vonnis en diende tevens een incidentele vordering in, die op 14 februari 2023 door het hof werd afgewezen. Het hof stelde de beslissing over de proceskosten uit totdat het eindarrest werd uitgesproken. Na het indienen van een memorie van antwoord door [geïntimeerde] en een mondelinge behandeling op 10 januari 2024, werd het arrest bepaald.

Aanrijding fiets en voetganger

Feiten en geschil

Het ongeval vond plaats toen [geïntimeerde] op een fietspad de straat overstak en [appellant], die met zijn fiets andere fietsers inhaalde, hem raakte. [Geïntimeerde] liep hierbij letsel op en werd tot 2 april 2021 in het ziekenhuis opgenomen. De rechtbank verklaarde [appellant] aansprakelijk voor het ongeval en kende een voorschot van € 4.600,00 toe aan [geïntimeerde]. [Appellant] ging in hoger beroep, waarbij hij betoogde dat hij geen verkeersfout had gemaakt en dat het ongeval door de stilstaande positie van [geïntimeerde] was veroorzaakt.

Beoordeling door het hof

Het hof concludeerde dat [appellant] een verkeersfout had gemaakt door zijn snelheid onvoldoende aan te passen aan de omstandigheden. [Appellant] had zijn snelheid moeten aanpassen, zeker gezien het drukke fietspad en het smalle stuk waar hij reed. Het hof oordeelde echter ook dat [geïntimeerde] zelf een fout had gemaakt door het fietspad op een moment over te steken waarop hij niet voorrang had. Het hof vond dat beide partijen een verkeersfout hadden begaan, maar bepaalde dat de schadevergoedingsplicht van [appellant] verminderd werd tot 50% van de door [geïntimeerde] geleden schade, rekening houdend met de omstandigheden van het geval.

Proceskosten en uitspraak

Het hof besloot de proceskosten in zowel eerste aanleg als hoger beroep te compenseren tussen partijen, aangezien geen van beiden als volledig in het ongelijk gestelde partij kon worden beschouwd. In het incident werd de proceskostenverdeling eveneens tussen beide partijen gecompenseerd. Het hof veroordeelde [appellant] tot het betalen van een voorschot van € 2.300,00 aan [geïntimeerde] en verwees de zaak naar de schadestaatprocedure voor verdere schadevaststelling. Het vonnis werd vernietigd en [appellant] werd aansprakelijk gesteld voor de helft van de schade.

Lees hier meer over deze zaak.